• Welkom
  • Profiel
  • Dagvoorzitters
  • Zakelijke sprekers
  • Theatercollege
  • Team
  • Nieuws
  • Contact

Pionier Jan Notermans vond Bert van Marwijk een 'luie flikker'

Ex-topvoetballer en -trainer Jan Notermans is op 84-jarige leeftijd overleden. Als speler van de dissidente pioniersclub Fortuna’54 stond hij aan de wieg van het betaald voetbal in Nederland. De middenvelder uit Sittard schopte het tot 25 interlands voor Oranje. Ik sprak de innemende Notermans in 2014 voor het jubileumboek van Fortuna´54/Fortuna Sittard. Dat leverde een mooi panorama op van, onder meer, de beginperiode van het profvoetbal in Nederland.

‘Het is voor mij een enorme eer als voetballer deel te hebben uitgemaakt van de eerste profclub die Nederland rijk was: Fortuna’54! Aanvankelijk was er een heuse voetbaloorlog gaande tussen de KNVB, die tegen betaald voetbal was, en de NBVB, de onder regie van Fortuna’54-voorzitter Egidius Joosten opgerichte, ‘wilde’ voetbalbond. Joosten, een aannemer, was zijn tijd echt vooruit: als er betaald werd, zou hij beter voetbal te zien krijgen. En dat hadden de mensen uit de westelijke mijnstreek wel verdiend, vond Joosten. Veel van hen werkten de hele week onder de grond en zagen de voetbalwedstrijden in het weekend als een uitje, als puur vertier.

Omdat wij als profs van Fortuna’54 over verreweg de beste spelersgroep beschikten, werden we in 1954 in de NBVB herfstkampioen. Kort daarna ging de KNVB alsnog overstag en stemde, op 25 november 1954, in met de oprichting van betaald voetbal in Nederland. Dat was de verdienste van Egidius Joosten. En dus speelden we het tweede gedeelte van het seizoen, onder de vlag van de KNVB, in de eerste profcompetitie. Wat ik bij Fortuna’54 verdiende? 3600 gulden per jaar. Spelers die later uit het buitenland kwamen, kregen beduidend meer. Cor van der Hart kreeg 15000 gulden per jaar, Faas Wilkes 100.000 gulden ver drie jaar. Althans, volgens de geruchten.

We verdienden extra geld met de vriendschappelijke wedstrijden die we overal in Europa afwerkten. Niet Ajax of Feyenoord werden door buitenlandse clubs uitgenodigd, maar Fortuna’54! Wij speelden het mooiste voetbal, hadden de beste spelers en de grootste uitstraling. Wij waren dé club van Nederland.

Dankzij de contacten van manager Huub Adriaans speelden we legendarische wedstrijden. Tegen het Real Madrid van Alfredo Di Stefano, tegen de Braziliaanse kampioen Botafogo met Garrincha, tegen de landenteams van België, Oost-Duitsland, Roemenië en Zwitserland, tegen Engelse, Duits, Spaanse en Oostenrijkse topclubs, het kon niet op.

Soms gingen we met grote auto’s van de firma Joosten, Cadillacs en Buicks, naar zo’n uitwedstrijd. Naar het Oostenrijkse Graz bijvoorbeeld. Dat kostte ons de hele dag. Adriaans zei dan: of we rijden door zonder onderweg te eten, of we krijgen 15 gulden per persoon extra. Dan kozen we vaak toch voor het geld. Door die vele vermoeienissen en inspanningen zijn we echter nooit kampioen geworden. In het weekend waren onze tegenstanders in de eredivisie okselfris, terwijl wij een slopende midweekse wedstrijd op Europees topniveau in de benen hadden.

Toch hebben we geweldige prestaties geleverd. We wonnen twee keer de beker. In 1957 versloegen we in de finale het Feyenoord van sterspeler Coen Moulijn, met 4-2. In de Rotterdamse Kuip nog wel. In 1964 wonnen we de eindstrijd van ADO, na strafschoppen, in Eindhoven. Daar was ik zelf niet bij. En dan was er nog het ‘wonder van Amsterdam’, in november 1961. We kwamen tegen Ajax met 3-0 achter, niemand gaf meer een stuiver voor onze kansen. In de 75ste minuut scoorden we 3-1 en in de slotfase liepen we Ajax, met topspelers als Sjaak Swart, Bennie Muller en Cees Groot, zelfs onder de voet. Zelf scoorde ik vlak voor tijd de winnende treffer (3-4), een van mijn meest bejubelde doelpunten ooit. Het wonder was voltooid.

Mijn goede prestaties als rechtermiddenvelder bleven niet onopgemerkt. Ik werd geselecteerd voor het Nederlands elftal en zou uiteindelijk 25 interlands spelen. Maar ik was niet de enige Limburger, soms stonden er wel vier, vijf of zes ploeggenoten van Fortuna’54 in de basis. Naast mezelf mannen als Frans de Munck, Bram Appel, Henk Angenent, Bart Carlier, Cor van der Hart en Faas Wilkes. Wij waren dé hofleverancier van Oranje. We wonnen eens met 9-1 in Rotterdam van België, maar de meest memorabele interland speelde ik in Düsseldorf, tegen West-Duitsland, op dat moment de regerend wereldkampioen. Tegen een decor van tienduizenden meegereisde fans, waarvan veel uit Limburg, wonnen we met 1-2, dankzij twee treffers van Abe Lenstra.

De Duitsers spraken over een wereldwonder en ik kwam in beeld bij diverse Duitse clubs. Schalke 04 was het meest serieus, die club wilde me van Fortuna’54 overnemen. Ik zou in Gelsenkirchen een huis krijgen, een auto en een mooi salaris, terwijl mijn vrouw Tiny aan een baan als schoonheidsspecialiste zou worden geholpen. Maar Fortuna’54 hield de poot stijf. Ik mocht niet weg. Daar baalde ik best van, maar in Geleen had ik het ook niet slecht.

Wedstrijden in het Mauritsstadion waren vaak een feest. Hoe meer toeschouwers er op de tribune zaten, hoe beter het financieel voor mij was. Mijn ouders hadden namelijk een kapperszaak die ook fungeerde als voorverkoopadres voor voetbalkaartjes. Aan ieder verkocht kaartje hielden we een dubbeltje over. Dat kon bij topwedstrijden behoorlijk oplopen.

Ik heb altijd voor het topvoetbal geleefd, maar had wel een onhebbelijkheid. Vanaf mijn jeugd rookte ik als een ketter, dus ook toen ik doorbrak als voetballer. Ik rookte een pakje per dag, soms ook stiekem in de wc van het stadion. Gelukkig rookte clubarts Thei Jessen ook, dus die heeft me nooit vermanend toegesproken. Bovendien bleek uit longonderzoeken dat ik supergezond was. Tijdens wedstrijden en trainingen liep ik de nicotine er kennelijk uit.

Na de schitterende jaren bij Fortuna’54 maakte ik in de zomer van 1964 als dertiger de overstap naar Sittardia, naar mijn eigen Sittard, mij woonplaats. Die club was net naar de eredivisie gepromoveerd, maar ondanks de derbywinst in Geleen tegen mijn ex-club Fortuna’54 (0-3), konden we dat seizoen niet aan degradatie ontkomen. Voetballen in de eerste divisie was een rare ervaring, dat was me met Fortuna nooit overkomen, maar we promoveerden wel direct weer. Dat was ook mijn laatste seizoen als actief voetballer. Ik speelde vanwege een blessure maar de helft van het aantal wedstrijden en ben gestopt.

Later heb ik nog een mooie loopbaan gehad als trainer, in Duitsland en Nederland. Zo heb ik Bert van Marwijk twee keer onder mijn hoede gehad, bij Go Ahead en AZ. Ik vond hem vaak een eigenwijze luie flikker, pakte hem aan en dat irriteerde hem. ‘Waarom moet je mij altijd hebben?’, zei hij dan. Maar ik deed het om hem te prikkelen. Dat lukte, want als Bert scherp was, kon hij geweldig voetballen, haha.’

  • Welkom
  • Profiel
  • Dagvoorzitters
  • Zakelijke sprekers
  • Tekst
  • Team
  • Contact
©2014 Van der Ley - Site en linkbuilding door Webton