De FC Twente-blues
De legendarische rockgitarist Adrian ‘Adje’ Vandenberg blijft ook in kommervolle tijden achter ‘zijn’ FC Twente staan. Ik sprak hem onlangs, vóór de voorgenomen degradatie naar de Jupiler League, voor Voetbal Inside Magazine. Hierbij de weerslag. “FC Twente is de blues in optima forma.”
Adrian Vandenberg is voor de eeuwigheid verklonken aan de geschiedenis van de mondiale (rock)muziek. Met Nederrockband Vandenberg componeerde de boomlange import-Tukker in 1982 zijn magnum opus Burning Heart, een ballad die zich tegenwoordig rondzweeft in de nostalgische sferen van de Top2000. En over de lijst der lijsten gesproken: ook Here I Go Again – uit 1987 – van Whitesnake kan rekenen op een jaarlijkse topnotering. Uiteraard dankzij de virtuoze gitaarpartij(en) van Ad Vandenberg, die met de stadionrockband van ex-Deep Purple-zanger David Coverdale een geslaagde gooi doet naar de absolute top. “We behoorden in de jaren tachtig en negentig tot de grootste bands ter wereld.”
Het is de opwindende periode dat hij de groupies bijkans van zich af moet slaan. “Omdat overdaad schaadt”, lacht hij. Het meest onschuldige verzoek van vrouwelijke zijde, destijds: op de foto met de lange rocker. “Geinig genoeg vroeg ík 25 jaar later iemand of ik met hém op de foto mocht”, zegt Vandenberg. “Dat was Theo Janssen, van wie ik bij FC Twente een groot fan was geworden. Ik trad op bij het gala voor de Voetballer van het jaar, Theo had het klassement gewonnen en de Gouden Schoen ontvangen, en ik zeg tegen hem. ‘Theo, normaal vragen lekkere wijven mij om een foto met hén, maar nu wil ík op de foto met jou. Waarop Theo zegt: ‘Leuk, aardig en prima, maar ik had liever gehad dat je die lekkere wijven had meegenomen.’ Op zijn Arnhems, weetjewel. Haha, Theo is pure rock ‘n roll.”
Dat de voetballiefhebber in Ad Vandenberg ooit (een speler van) FC Twente in zijn hart zou sluiten, lijkt in zijn jonge jeugd een utopie. Feyenoord is, in de vroege jaren zestig, de eerste club die op zijn sympathie kan rekenen. “Ik ben in Den Haag geboren, maar op mijn vijfde levensjaar met mijn ouders naar Rotterdam verhuisd”, schetst hij. “Voor mijn vader was dat een emotionele terugkeer. Hij is afkomstig uit Rotterdam, daar in de oorlog letterlijk weggebombardeerd en naar het Twentse Vriezenveen gevlucht, waar hij met één vlammende openingszin mijn moeder aan de haak wist te slaan. Zo was hij dan ook wel weer. Maar goed, hij keerde uiteindelijk terug naar Rotterdam en daar raakte ik als jong ventje automatisch in de ban van Feyenoord. Ik scoorde handtekeningen van helden als Eddy Pieters Graafland en Coen Moulijn, was de koning te rijk. In die tijd kwamen de spelers van een voetbalteam nog echt uit de eigen stad. Je juichte grotendeels voor je stadgenoten. Voor echte Rotterdammers dus, in het geval van Feyenoord. Mooi om te ervaren, juist omdat die gewoonte later zo verwaaid is.”
De prille liefde voor Feyenoord verflauwt na de volgende verhuizing. Op zijn veertiende vertrekt Vandenberg met zijn ouders naar Enschede (vader aanvaardt een baan als professor aan de Universiteit Twente), om er nooit meer te vertrekken. Toch is er aanvankelijk sprake van een cultuurclash. “Kwam er zo’n langharige gozer aanzetten met een vreemd accent en de neiging om bandjes op te richten en de gitaar te hanteren, haha. Dat was even wennen. Tukkers zijn van nature een beetje afhoudend, maar ik raakte snel ingeburgerd.”
Die ‘lange gozer’ zou Enschede en Twente uiteindelijk – in navolging van bands The Buffoons en Teach In – muzikaal op de kaart zetten, maar niet voordat hij door het FC Twente-virus gegrepen is. “Als voetballiefhebber viel ik met mijn neus in de boter. FC Twente beleefde een gouden periode, ik was regelmatig van de partij in het Diekman-stadion.”
Het stadionbezoek komt in de knel gedurende zijn studietijd in Arnhem (‘nee, ik ging niet vreemd met Vitesse’) en zijn ontwikkeling als mondiale rockster bij Vandenberg en Whitesnake. Pas na zijn vaarwel bij die laatste band, in 1999, krijgt de import-Enschedeër vaker de gelegenheid zijn favoriete club te bezoeken. “Als ik tijd had, ging ik kijken. Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe FC Twente bijna failliet ging, in 2003, hoe de club zich oprichtte en zich profileerde als topclub. Ik werd een groot fan van de combinatie Bryan Ruiz en Theo Janssen. Wát een klasbakken.”
Uitgerekend op het moment dat FC Twente zich, op 2 mei 2010, tot landskampioen kroont, zit Vandenberg in verband met muzikale activiteiten in de Verenigde Staten. “Ik geloof dat ik bij David Coverdale was, in Lake Tahoe. Maar de ontlading was niet minder intens. Ook op grote afstand had ik het kippenvel dik op de huid staan. Heel Enschede stond op de kop. Later heb ik die filmpjes teruggezien van de enorme jubel op de pleinen in de stad. Zelf sta ik niet graag in de mensenmassa’s die ik vanaf het podium wél graag voor me zie, maar dit was geweldig. FC Twente had iets ongelooflijks geflikt. Dat maakte ook mij trots.”
In die periode zoeken mensen van de club toenadering tot Vandenberg. Of hij een clublied wil componeren, het liefst met enig bombast: een stadionrocknummer. “Maar hoe sympathiek ook, ze wilden een Nederlandse tekst, en dat past niet bij mij en niet bij een stadionrocknummer. Dus kwam het er niet van. Totdat ik, in het voorjaar van 2011, Joop Munsterman sprak. Een muziekliefhebber ook. Al filosoferend over gemeenschappelijke helden kwamen we op het plan juist nu een Engelstalig kampioensnummer te lanceren, omdat FC Twente voor de tweede keer op rij de titel kon pakken.”
Vandenberg schrijft een op We Are The Champions geïnspireerd nummer, getiteld A Number One. Alleen: hij zit op dat moment zonder band. “Ik had in Amerika twee zangers in de startblokken staan, maar het leek me toch passender een Nederlander te hebben. Maar wie? Plots herinnerde ik me een jongen die in ons voorprogramma van Whitesnake in Tilburg had opgetreden. Iemand stuurde me een recensie uit muziekkrant Oor toe, waarin stond dat die gozer die avond een geduchte concurrent van David Coverdale was. Tja, dan moet je iets kunnen.”
Vandenberg trekt de stoute puntlaarzen aan. “Na lang zoeken kwam ik hem op het spoor. Hij bleek Jan Hoving te heten en twee boerenbedrijven te hebben, waarvan eentje in Zeewolde. Toen ik hem belde, dacht ie in de maling te worden genomen. Ik maakte een afspraak. Op de slechtste dag van het jaar, qua weer. Door de barre omstandigheden, en het feit dat ik in het pikkedonker van de polder de weg niet kon vinden – was ik veel te laat. Het versterkte zijn gevoel dat het allemaal een grap was. Dus hij besloot met zijn vrouw een flesje wijn open te trekken. Toen ik aanbelde, had hij een kegel van hier tot Tokio. Maar we hadden gelijk een klik, haha. En ik een zanger voor het kampioenslied van FC Twente.”
De tweede titel op rij komt er niet. In de kampioenswedstrijd tegen Ajax volstaat een gelijkspel, maar krijgt FC Twente met 3-1 klop. Omdat kort daarvoor wél de beker gewonnen is, besluit de clubleiding alsnog tot een groot feest, op het terrein naast de Grolsch Veste. Vandenberg heeft dan een zanger, maar nog geen bassist en drummer. “Via vrienden kwam ik op het spoor van een jong, talentvol drummertje – Mart Nijen Es – en een jonge, talentvolle bassist, Sem Christoffel. Het toeval wil dat ik beide jongens een jaar of tien geleden een eerste plaats had bezorgd op twee verschillende talentenjachten. Dat had ik destijds goed gezien, want ze bleken van topkwaliteit te zijn.”
De eerste proeve van bekwaamheid volgt in de schaduw van Grolsch Veste. Ondanks het mislopen van de titel speelt de vers geformeerde band op bevlogen wijze A Number One. Als klap op de vuurpijl haalt Vandenberg voorzitter Joop Munsterman het podium op. “Die schrok daarvan, maar ik gaf hem een rode FC Twente-gitaar en samen hebben het Working On A Dream gespeeld, van Bruce Springsteen, zijn lijflied.”
Ad Vandenberg is onder de indruk van het spel van de twee piepjonge muzikanten. “Alles viel op zijn plaats. Ik had al bijna een album klaar, was toch al op zoek naar nieuwe bandgenoten. Toen zij dat hoorden, vroegen ze heel schuchter of ze auditie mochten doen. Ik zeg: ‘nee’. Zij: ‘Zijn we dan te jong ofzo?’ Ik zeg: ‘Nee, wat mij betreft hebben jullie de job al. Wat mij betreft zijn jullie de jongens van mijn band!’ Nou, die gasten waren helemaal flabbergasted. Korte tijd later richtte ik Vandenbergs’ Moonkings op en inmiddels hebben we een Europese tour achter de rug en zelfs al weer twee keer in Japan opgetreden. Een nieuw album en een nieuwe tour zijn in de maak. Mede dankzij FC Twente, ja.”
Inmiddels is de club als een kaartenhuis in elkaar gedonderd en staat zelfs de betaald voetbal- licentie op de helling. “Triest, ja. Het is duidelijk dat de beleidsbepalers met zijn allen uit de bocht gevlogen zijn en zichzelf overschat hebben, maar om alle schuld op Joop Munsterman af te schuiven, zoals nu gebeurt, lijkt me niet fair. Ook de toezichthouders zijn in die blinde ambitie meegegaan. Je zou Munsterman misschien een haantje kunnen noemen, maar dat is tegelijkertijd zijn kracht. Hij heeft door zijn gepassioneerde drive dingen gerealiseerd die we nooit voor mogelijk gehouden hadden. Een geweldig stadion, kampioen van Nederland, Champions League-voetbal. Daar hebben we met z’n allen van genoten.”
De neergang van FC Twente heeft zijn gevoel voor de club niet aangetast. “Het tegendeel is eerder waar. Ik vind het juist mooi om te zien hoe de club zich uit de shit probeert te knokken. De huidige worsteling van FC Twente, dat is de blues in optima forma. En laat ik nu net een groot bluesliefhebber zijn…”



